Benen, staarten en golven

Column Richtje Reinsma

··········
Ik zou wel een staart willen hebben. Als ik een aantrekkelijke man zou zien, zou ik mijn staart omhoog steken, als een discreet maar duidelijk signaal van belangstelling. Ik zou het liefst een staart hebben die ik kan laten aangroeien voor speciale gelegenheden, en naderhand weer verwijderen. Ik wil niet dat de staart mijn instinctieve reacties op mijn omgeving onthult zonder dat ik er controle over heb. 
Malin Ståhl, Sketches for a Wave (still of performance)
Malin Ståhl, Sketches for a Wave (still of performance)
Terwijl ik dit schrijf, zit ik met mijn benen in een vuilnisbak vol water. Ik heb een grote plastic prullenbak gekocht bij de Blokker. Ik vul de bak met de inhoud van acht waterketels en vijftien lepels Biotex waspoeder. Dan steek ik mijn benen erin, om een aantal wonden te desinfecteren. Zeewater zou beter zijn, maar de zee is te ver weg. Mijn benen passen precies in de vuilnisbak als ik ze kuis tegen elkaar aandruk als een zeemeermin. Als ik in mijn vuilnisbak baad voel ik me een beetje alsof ik in een slaapzak lig. Ook in een slaapzak zit je vast als je eenmaal dichtgeritst bent, je bewegingsvrijheid gereduceerd tot die van een vis op het droge. Ik vermoed dat zeemeerminnen wel degelijk twee benen hebben, maar verstrikt zijn geraakt in een vis. Fuseren met dieren is een riskante zaak. Uit verschillende lichamen samengestelde wezens maken kans op vreselijke fantoompijnen.
Het is opvallend dat zeemeerminnen passieve jagers zijn. Ze kunnen zeelieden naar zich toe lokken, maar hun prooi moet zelf op hen af komen. Ze verleiden mannen met hun stem en hun schoonheid zonder rechtstreeks toe te kunnen slaan. Dit lijkt misschien een klassieke rolverdeling tussen de seksen, maar eigenlijk gaat het op straat heel anders toe dan op zee. Op straat zijn het meestal mannen die naar vrouwen roepen en fluiten, niet andersom.
De radicale feminist Valerie Solanas schreef: ‘De man is geobsedeerd door neuken - hij zal een rivier van snot overzwemmen, een kilometer tot aan zijn neus door braaksel waden als hij denkt dat er een vriendelijk kutje op hem wacht.’ (SCUM-manifesto, 1967.)
In het geval van zeemeerminnen wacht de man geen vriendelijk kutje. Mogelijk niet eens een kutje. Enkel de dood. Als je je voorstelt dat een man bereid is om zo’n smerige oversteek te wagen op zoek naar een kutje, kan je bijna niet anders dan hem alle succes toewensen en hem beklagen dat hij zo veel moet verduren voor zijn geluk. Aan de andere kant is ook de dame niet te benijden, wachtend aan de oever van het snot en braaksel tot er een idioot wanhopig genoeg is om de overtocht te maken.
 
Een paar jaar geleden nam ik deel aan een drag king workshop, waarin ik en een aantal andere vrouwen zouden leren hoe we onszelf konden transformeren tot mannen. De butch die de workshop gaf begon met een waarschuwing: we zouden ons die middag niet alleen bezig houden met het maken van perfecte penisprothesen en het aanbrengen van stijlvolle snorretjes. Als we ons louter op een uiterlijke transformatie zouden richten, verspilden we onze tijd. Om man te worden moesten we ons gedrag veranderen.
De workshopleider vroeg ons de manier waarop we zaten te observeren. Ze keek naar mijn vriendin Katia. Katia had haar benen over elkaar geslagen, en haar armen in haar schoot. De workshopleider vroeg haar waarom ze haar lichaam zo compact gemaakt had. Katia antwoordde: ‘Ik neem zo veel ruimte in als ik nodig heb.’
De meesten van ons zaten in soortgelijke houdingen, met onze benen verstrengeld en onze armen opgevouwen, alle ledematen netjes tegen de romp geplakt om ze niet uit te laten steken. Ondoordringbare zeemeerminnen op klapstoelen. De workshopleider adviseerde ons om ons gedrag om te draaien, en te proberen om zo veel mogelijk ruimte in beslag te nemen. Dat was de eerste stap om man te worden.
 
Vroeger wilde ik een kat worden. Nu weet ik het niet meer zo zeker. Natuurlijk zou ik als kat meer benen hebben, en een staart. Maar ik zou mijn dagen als mens missen; het rusteloze verlangen naar het onbekende. Als ik nu een nieuwe gedaante mocht kiezen, zou ik de zee willen zijn. Een massa in voortdurende beweging, altijd op weg zonder ooit aan te komen. Andere lichamen voedend, dodend en wiegend, heen en weer golvend in een eindeloze begroeting en een onophoudelijk afscheid. Ik zou smachten naar de kust, en vergaan van verlangen om met het land te versmelten. 


(c) Lucy, 14 september 2012 

Reactie toevoegen

* verplichte velden.
U mag nog 255 karakters intypen

Deel dit artikel

  • Facebook
Deze column is een vertaling en bewerking van een tekst geschreven ter gelegenheid van Siren and the Sea, een performance en video installatie van Malin Ståhl (www.malinstahl.se), gepresenteerd door WAAR Projects (www.waarprojects.org) in Barry/W139, Amsterdam op 8 september 2012.
Richtje Reinsma tekent en schrijft.
www.richtjereinsma.nl