Verzamelwoede #3: een kast vol grafiek

··········
Waarom verzamelen mensen? Wat drijft hen? Is het een vorm van gekte? Anna van Suchtelen interviewt privéverzamelaars die zich hebben gestort op een klein deelgebied binnen het enorme terrein van de beeldende kunst, en zij gaat op zoek naar het verhaal achter hun verzamelwoede. Deze keer: de grafiekcollectie van prof. dr. Johanna Maria van Winter.
Johanna Maria (Marietje) van Winter woont in het enige zeventiende-eeuwse huis in de straat, op de eerste verdieping. Zij is 86 en emeritus-hoogleraar middeleeuwse geschiedenis. Internationaal vermaard om haar specialisatie kookkunst in de Middeleeuwen, waarover ze een aantal standaardwerken schreef. Vermaard is zij ook om de middeleeuwse maaltijden die ze thuis bereidde voor haar studenten en collega’s. Wat niet iedereen weet is dat ze ook grafiekverzamelaar is, en in ruim vijftig jaar een indrukwekkende collectie heeft opgebouwd. Bij een kopje thee en een notencakeje vertelt ze haar verhaal.
grafiekverzamelaar Marietje van Winter grafiek van Charlotte van Pallandt
grafiekverzamelaar Marietje van Winter een schets van Charlotte van Pallandt

Rijksprentenkabinet

Vrijwel de hele verzameling, een ladenkast met ongeveer 800 werken, is inmiddels niet meer thuis.Ze heeft de collectie in haar testament toebedeeld aan het Prentenkabinet van het Rijksmuseum in Amsterdam. Tot voor kort verzamelde het Rijksmuseum geen kunst van na de Tweede Wereldoorlog. “Het Stedelijk deed dat wel maar dan vooral Amerikanen. Geen enkel ander museum verzamelde Nederlandse naoorlogse en hedendaagse grafiek. Toen het Rijksmuseum deze lacune constateerde en haar beleid wilde verbreden, kwam ik in contact met het museum. De conservator van het Prentenkabinet kwam langs met de oud-conservator van het Gemeentearchief Amsterdam: ze waren stomverbaasd want ze zagen kunstenaars en stijlen waar ze geen idee van hadden.” Haar collectie paste in de lacune, en het Rijksmuseum was bereid om de verzameling als legaat te aanvaarden. Toen ze een paar jaar geleden moest verhuizen uit de Brigittenstraat, waar zij een halve eeuw woonde met haar collectie, besloot ze de verzameling eerder dan gepland te schenken: “Ze hoeven niet op mijn dood te wachten: ze kunnen het nu krijgen.” Voorwaarde was dat de collectie intact bleef, en dat het museum de verhuizing regelde, want daar zag ze vreselijk tegenop. Het museum haalde de prenten met ladenkast en al op. Natuurlijk komt ze nog steeds van alles tegen en gaat het verzamelen gewoon door. In een kleinere ladenkast houdt ze nu één lade vrij voor nieuw werk.

Onder het divanbed

De grote ladenkast is weg, maar het geheugen niet. Najaar 1962 kocht zij haar eerste werk. In die zomer promoveerde Van Winter. Haar proefschrift had veel geld gekost, ze had erg zuinig moeten leven en na de promotie kreeg ze meer lucht. Het was helemaal niet haar plan om te gaan verzamelen, maar najaar 1962 trof ze bij de Utrechtse Kring in de Brigittenstraat een aquatint aan. Ze vond het mooi werk en niet zo duur en ze dacht: Kom, ik koop dat.
    Niet lang daarna kocht ze een tekening van beeldhouwer Oscar Jespers, die ze prachtig vond. “Nou ja, dan ben je over een drempel heen, dan gaat het zo langzamerhand groeien, dan bouw je een verzameling op.” Er kwam meer werk, ze bezocht galeries en tentoonstellingen. Ze richtte zich op grafiek, en ook soms een tekening, aquarel of gouache. Een paar kunstenaars begon ze te volgen, zoals Charles Donker, Gerard van Rooij en Dirkje “voorheen William” Kuik, en daarnaast kocht ze wat ze mooi vond en wat betaalbaar was. Haar kamer was eerst op zolder, er was geen ruimte om iets op te hangen maar dat was de bedoeling ook niet. Ze wou iets verzamelen wat ze compact kon opbergen. Haar aanwinsten bewaarde ze tussen vloeipapier in grote portefeuilles onder haar divanbed: “niet ingelijst, maar wel beschikbaar”. Op het moment dat ze niet meer alleen de portefeuilles onder haar bed vandaan kon halen om het werk te bekijken, moest er iets anders verzonnen worden.

De grote ladenkast

Ze verhuisde naar een grotere kamer in hetzelfde huis en bestelde de allergrootste maat ladenkast. Toen de kast er was, begon ze te sorteren. Op stijl, op formaat, maar zeker niet op onderwerp: dat kan helemaal niet, benadrukt ze. In haar geheugen gaat zij na wat er in welke la zat, en hoe het gerangschikt was: “Jammer dat ik ze niet kan opentrekken, maar in het prentenkabinet zitten ze nog wel in dezelfde volgorde.”
    We gaan in gedachten van boven naar beneden. De ladenkast heeft negen laden: “Ze waren heel vol moet ik zeggen.” Op de volgorde wordt flink gepuzzeld: “Ik had ook een la met Tsjechen, was dat zes? (…) in drie heb ik lyrische abstractie (…) nee dat was de tweede la (…) ik meen dat dit niet klopt.” Een zorgvuldige correctieronde volgt. In de bovenste la zitten Charles Donker, pentekeningen van Sal Meijer, mezzotinten van Joop Vegter, de halve la is voor kleine dingen. In de tweede la zitten beeldhouwtekeningen van bijvoorbeeld Oscar Jespers, de andere helft van die la is voor lyrische abstractie. La drie is de la met Oost-Europese buitenlanders, met name Tsjechen. Die werken werden geleverd door Leo van Maris uit Leiden, die contacten had met kunstenaars uit Praag en Brno. “Nog voor de Praagse lente ging hij erheen met leeg papier van goede kwaliteit en kwam met bedrukt papier terug om in Nederland te verkopen. Ze hadden geen goed papier maar wel fantastische kunstenaars.” Behalve Tsjechisch werk kocht zij ook Poolse, Hongaarse en DDR- grafiek. In de la daaronder zitten de kunstenaars van Galerie Mokum in Amsterdam: Wout Muller en Clary Mastenbroek, en andere Mokumers. De la daaronder is voor de Utrechters zoals Peter Vos, Gerard van Rooij en Peter van Poppel. La zes is Groningen: werk van Galerie Mangelgang en Galerie Het Soephuis. De belangstelling voor Groningse kunst komt voort uit haar wortels: ze is daar opgegroeid en ze heeft er gestudeerd. De nadruk ligt in deze la op landscape perception en zuiver abstracte wiskundige kunst. La zeven bevat de West-Europese buitenlanders en Latijns-Amerika. In la acht liggen de grote formaten zoals bijvoorbeeld Bert Keller. De onderste la is la negen, dat is de la met mappen.
werk van Bahram Alivandi
la met werk van Bahram Alivandi

Weg uit Utrecht

Van Winter had de collectie in eerste instantie willen vermaken aan het Centraal Museum, omdat het mooi aansloot bij hun collectie van Utrechtse makers en hun interesse in grafiek. Maar omdat er niet werd gereageerd op haar correspondentie en de jaarlijkse lijsten van nieuwe aanwinsten die ze bij het museum in de brievenbus deed, besloot zij anders. Het Rijksmuseum heeft de schenking in dankbaarheid aanvaard, en het testament werd op kosten van het museum aangepast. Ook op het herziene testament reageerde het Centraal Museum niet: “Ik heb de indruk dat het ze totaal koud liet.”
    Momenteel werken kunstgeschiedenis-studenten in het Rijksprentenkabinet aan de ontsluiting van de collectie. Genoeg stof voor een scriptieonderwerp, “Of voor verschillende scripties omdat het zo divers is. Het zou mooi zijn als hier een catalogus uit voort zou komen, liefst met een tentoonstelling van alle werken bij elkaar.”

Onbesmet met reputatie

Zoeken gaat bij haar op gevoel: “Het onderwerp is totáál oninteressant. Of het nou lyrisch abstract is of een bloem of een beeldhouwersschets, dat kan me helemaal niets schelen.” Wel is ze altijd geïnteresseerd in de techniek. We kijken in de la met nieuwe aanwinsten in de kleine ladenkast. Voorzichtig plukt ze de beschermvelletjes van de prenten. Er is nieuw werk van Utrechters Annemarie Born en Carien Vugts. Twee grote beeldhouwschetsen van Charlotte van Pallandt, gekocht nadat ze overleden was. Een ets van een kerstroos van Bert Keller, “Ik had hem bij de lyrische abstractie ingedeeld maar tegenwoordig maakt hij bloemen.” Een abstracte litho van Gerard van Rooij, gekocht van de weduwe. Van Rooij signeerde meestal pas als hij zijn werk verkocht, het is een wonder dat zij een gesigneerde prent heeft uit zijn nalatenschap. Twee surrealistische litho’s van Bahram Alivandi uit Iran, in ballingschap gemaakt. “Het zijn toch mooie bladen hè, er zit best veel in.”
 
Bij de aankoop stelt ze drie eisen. Een: ze moet het werk compact kunnen opbergen, want haar ruimte is schaars. Twee: het moet betaalbaar zijn, want financieel heeft ze wel lucht maar alles bij elkaar toch weinig geld te besteden. Drie: het moet kunst van nu zijn die ze zelf heeft uitgezocht. Zij moet het mooi vinden zonder dat de reputatie van de kunstenaar een rol speelt: “onbesmet met reputatie,” noemt ze dat. Van Hundertwasser bijvoorbeeld had zij de complete serie `Regentag’,“maar dan wordt al dat spul door een galerie in New York opgekocht en is het buiten mijn bereik.”
     Van Winter koopt werk aan van jonge kunstenaars waarvan nog moet blijken of het wat wordt. En ze blijft ermee doorgaan, hoewel in veel trager tempo. Het aanbod is ook kleiner. Alles wat erbij komt is voor het Rijksmuseum bestemd. Als ze een groot werk koopt, wordt dat rechtstreeks doorgestuurd. Laatst kocht ze bijvoorbeeld de grote mezzotint ‘Vingerhoedskruid’ van Bert Keller, die ze direct naar het Rijksprentenkabinet liet brengen. De kleine aanwinsten blijven voorlopig in de la bij haar thuis, als “een weerspiegeling van de hele collectie in het klein”.


(C) LUCY, 11-2-2014. Tekst en foto’s: Anna van Suchtelen

Reactie toevoegen

* verplichte velden.
U mag nog 255 karakters intypen

Deel dit artikel

  • Facebook