Sporters en kunstenaars gaan tot een ander gaatje

Filosoof Rob van Gerwen maakt een vergelijking

··········

Rob van Gerwen is kunst- en wetenschapsfilosoof en verbonden aan de Universiteit Utrecht. Voor LUCY vergelijkt hij vanuit zijn persoonlijke, filosofische invalshoek sporters en kunstenaars.
 

1. Sport en kunst

Zowel in sport als de kunst gaat het om het verleggen van grenzen. Maar wat het publiek bij sport aangenaam treft, wil bij de kunst nogal eens irriteren. Kunstenaars lijken maar wat te doen, of ze overschrijden de grenzen louter om ons te shockeren. Dat is bij sport duidelijk nooit de bedoeling — sporters weten juist heel goed wat ze doen en hoewel sommige sporten sommigen shockeren (kickboksen bijvoorbeeld), is het daar in die sport niet om begonnen. Daartegenover kan iedereen wel enkele (zogenaamde) kunstwerken noemen die evident geen ander doel lijken te hebben dan het publiek shockeren.1 Welke rol spelen welke grenzen bij de sport en de kunst? Waarom gaan sporters en kunstenaars tot het gaatje, en welk gaatje is dat eigenlijk?

Grenzen verleggen
Het lijkt zo eenvoudig: zowel sporters als kunstenaars verleggen voortdurend hun grenzen — dus moet je ze met elkaar kunnen vergelijken. Let wel, we hebben het in geen van deze gevallen over letterlijke grenzen, met prikkeldraad en slagbomen.

Ja, bij de Grand Prix moet je over een echte grens heen, de finish, maar alle racers moeten daar overheen; waar het op aankomt, is wie dat het eerste doet. Dus het overschrijden van de grens, daar gaat het hier niet om — het gaat er hier om wie het parcours op de snelste en strategisch slimste manier weet af te leggen. Maar ook een Formule 1-coureur moet daarvoor grenzen overschrijden — en dat slaat op iets heel anders: hij moet een expert zijn op het gebied van de bolide waar hij in rijdt; hij moet harder rijden maar zijn motor niet “opblazen”; hij moet anderen inhalen, maar wel zonder zichzelf of de ander de berm in te sturen, en binnen de regels van de sport.

Alle sporten kennen strenge regels, en die mogen per se niet overschreden of verlegd worden. Als de regels van een sport al verlegd worden, doen de sporters dat niet, maar de officials. De sporter moet zich aan de regels en dus aan de grenzen van zijn sport houden. Als we zeggen dat sporters hun grenzen verleggen, bedoelen we hun fysieke grenzen: dat ze bijvoorbeeld meer energie overhouden zodat ze tot het laatst van de wedstrijd alert blijven rijden en niet inkachelen. Wanneer verleggen ze die grenzen? Dat doen ze op de training.

2. Kunstvormen

De grenzen waar het in de kunst om gaat, zijn van een geheel andere aard. Het zijn eerder gewoontes en conventies; en stijlen die geërfd zijn uit de kunstgeschiedenis. Ze dienen om betekenissen voort te brengen, maar niet als keurslijf waar je niet aan mag tornen. Er zijn ook geen scheidsrechters die bij meningsverschillen kunnen arbitreren. Sterker nog: kunstenaars moeten origineel zijn en daarvoor zullen ze juist iets moeten doen wat anders is dan wat anderen deden. In de kunst staat er een premie op de afwijking.

Dat geldt voor alle kunstvormen. Maar die afwijking is wel ingeperkt. Een nieuw gedicht moet tenminste op een gedicht lijken — hoezeer het ook mag afwijken van de gedichten die we zoal kennen. De regels van de kunst zijn eigenlijk de regels van de kunstvormen. Wanneer is iets een schilderij? Wanneer het bestaat uit verf op een plat vlak. Die verf kan van allerlei soorten zijn: olie-, acryl-, waterverf; hoewel je in het laatste geval van gouaches spreekt en het eerder een tekening noemt. De ondergrond kan meer of minder vlak zijn. Julian Schnabel lijmde eerst porselein op zijn doek en beschilderde dat, maar als zo’n afwijking driedimensionaal wordt en geen tweedimensionale oppervlakte meer toont, noemen we het een sculptuur. Zo kun je tussen alle kunstvormen overgangen bedenken — ergens in het midden wordt het één dan iets anders. De termen waarmee wij kunstwerken aanduiden worden betekenisloos als we die grenzen zouden opgeven.2

Julian Schabel

Julian Schnabel, Self-Portrait in Andy's Shadow, 1987

Avant-garde
Op dit type verlegging van de grenzen van de kunstvormen heeft de zogenaamde historische avant-garde zich toegelegd, maar wij zijn daar wel min of meer klaar mee.3 Je kunt de grens van je kunstvorm immers maar tot op zekere hoogte oprekken. Daarbuiten wordt het gewoon iets anders (of het houdt op kunst te zijn).4 Het is in zekere zin de kunst om je kunstvorm zover mogelijk op te rekken en er toch binnen te blijven.

Waarom zou een kunstenaar dat willen doen? Misschien is de moderne kunst vooral geïnteresseerd in de conceptuele verschillen tussen de kunstvormen — een filosofische interesse. Arthur Danto dacht bijvoorbeeld dat op zeker moment de kunst filosofie was geworden. Maar dat is een vergissing: als kunst eenmaal filosofie is, is het geen kunst meer — en dan zouden we het met filosofische maten moeten meten in plaats van esthetische. Maar dat doen we niet, en dus is het kunst gebleven.

Nog even terug naar de avant-garde. In welke stijl schilders toen ook schilderden, er stonden onmiddellijk al weer anderen voor de deur met weer iets nieuws: expressionisme, fauvisme, futurisme, dadaïsme, surrealisme, kubisme, vorticisme, abstractie, abstract expressionisme zijn allemaal stijlen in de schilderkunst. En daarna ging men over op nieuwe kunstvormen als de installatiekunst, performancekunst, conceptuele kunst, implicatiekunst. Waarom ging dat zo? Waarom voelden kunstenaars die drang naar voren? Voor een deel is die drang sociaal te begrijpen; uit een soort sociale bewogenheid, uit kritiek op - en onvrede over - de samenleving iets nieuws voort te brengen dat zich daar niet netjes aan aanpast. Adorno heeft dat goed begrepen. Hij zag de avant-garde als een poging om het andere voort te brengen van wat geïdentificeerd, begrepen is — omdat dat laatste zich conformeerde aan de (onrechtvaardige) maatschappelijke status quo. Progressiviteit versus reactionair conformisme. Kortom, “vooruit” betekent in de kunst vooral: anders dan de gevestigde orde. Dat is de sociale interpretatie van de vernieuwingsgsdrift van de kunsten.

Maar kunstenaars worden er zelf ook door gedreven. Ze willen iets origineels creëren en omdat de oude stijlen en onderwerpen al bekend zijn, heeft men het gevoel dat men er het eigene niet in kwijt kan. Omdat men iets nieuws wil zeggen moet de manier waarop het gezegd wordt ook vernieuwd worden. Dat is volgens mij ook de reden waarom de sociale druk, of drijfveer, om iets progressiefs voort te brengen, in de kunsten voet aan de grond heeft gekregen — niet omgekeerd. Er was niet eerst de sociale druk en toen werden de kunsten creatief; de behoefte aan creativiteit was er eerst en de sociale druk viel daar mooi mee samen.

Originaliteit
Kunstenaars willen niet alleen origineel zijn, ze moeten ook origineel zijn: als de ene schilder in precies dezelfde stijl schildert als een andere, denken we dat hij die andere schilder gewoon na doet, dat hij zelf niet hard genoeg werkt, niet genoeg tot het gaatje gaat. Het gaatje van de kunstenaar is zijn eigen persoonlijke uitdaging zoals hij die in het atelier (of waar ook) met zijn materiaal ervaart. Iets nieuws bedenken en maken is namelijk niet gemakkelijk! Zeker niet nu blijkt dat het er niet om gaat de grenzen van de kunstvorm alsmaar te verleggen. Je moet dus én binnen je kunstvorm blijven én iets maken wat nog niemand ooit maakte. Waar verlegt een kunstenaar haar eigen grenzen? In haar atelier (of waar ook), wanneer ze haar nieuwe werk maakt. Of, zoals Picasso het zei: wanneer je je nieuwe werk in je materiaal vindt.

Dus, ja, zowel sporters als kunstenaars moeten grenzen verleggen, maar het zijn heel andere grenzen. De regels waarbinnen ze werken zijn heel anders. En, ten laatste, waar het doel van een sport eenduidig is (winnen), is het doel voor een kunstenaar niet gegeven, ook dat moet hij zelf maken.

3. PERFORMANCE KUNST

We kunnen het verschil misschien duidelijker maken door sport te vergelijken met performancekunst, een kunstvorm die op het eerste gezicht wel wat op sport lijkt. Meer in ieder geval dan poëzie of schilderkunst. Bij zowel sport als performancekunst heeft het een inherente waarde om bepaalde extremen op te zoeken en je grenzen te verleggen.

Vaak gaan performances over de rek in de kunstenaar zelf: hoeveel pijn kan een mens verdragen? Hier is de kunstenaar zelf het werk. Ze heeft voor zichzelf een regel geformuleerd en zal die tot in extremis volgen. De regel van een performance is dus volstrekt eenmalig. Voetbalwedstrijden volgen evenwel allemaal dezelfde regels.

Chris Burden

Chris Burden, Shoot, 1971

Onlangs overleed Chris Burden, die levensbedreigende performances deed rond het thema angst. U leest het goed: angst was het materiaal van de performances van Burden. In 1971 liet hij zich tijdens de performance Shoot door een vriend van vijf meter afstand door zijn arm schieten. We kunnen wel begrijpen waarom Burden dit deed: hij wilde laten zien dat je aan kunst toegewijd kunt zijn zonder te schilderen en hij wilde ervaren en tonen wat het is om beschoten te worden — iets waar wij door films en televisie allang ongevoelig voor geworden zijn. Shoot is geen afbeelding van schieten; er wordt echt geschoten — en raak ook. Typisch voor veel hedendaagse kunst. Het zeer korte filmpje van Shoot is shockerend en we zien weinig van Burdens angst; er is ook geen publiek bij. De vraag of dit kunst is en waarom dan wel, is volgens mij nog niet beantwoord. Hoe is het om bij zo’n executie aanwezig te zijn? Is ze herhaalbaar? En wat is dan het kunstwerk?

Bij performances is meestal juist wel een publiek aanwezig. Het is de bedoeling dat dit publiek de emoties van de kunstenaar meebeleeft. Dat maakt de beschouwer op een of andere manier ook medeplichtig aan wat er in de performance gebeurt. Het publiek is immers de reden waarom de performance wordt opgevoerd. Marina Abramowic heeft dat letterlijk genomen in Rhythm 0 (1974), een performance waarbij zij het publiek uitnodigde met haar te doen wat men wilde. Er lagen 72 objecten klaar, waaronder een geladen pistool. Het publiek kristalliseerde zich uit in mensen die haar pijn wilden doen en zij die haar daartegen wilden beschermen; die laatsten braken de performance af.

Het gaat hier sowieso niet louter om het verleggen van een grens — of beter: het onderwerp is niet wat er door de grens (die eerst hier en na het werk dáár ligt) buitengesloten wordt, maar het proces van het ervaren van die grens.

Marina Abramovic

Marina Abramovic, Rhythm 0, 1974

Afzien
Dat is een wezenlijk verschil met sport. We zien graag dat een sporter afziet — denk aan de beklimming van de Tourmalet in de Tour de France. Dat doen we niet uit sadisme: het afzien moet ten dienste staan van de overwinning. Een sporter moet immers de beste zijn — in ieder geval beter dan anderen die op dezelfde manier tot hetzelfde gaatje gaan. Of misschien niet eens: als het de winnaar gemakkelijk afgaat, zijn we ook tevreden — tenzij hij zich door doping heeft laten helpen en het publiek belazerd heeft: zijn zelfoverwinning was niet authentiek. We willen dat de winnaar de anderen overklast — zoals in een oorlog.

Medeleven
Dat we genieten van de lijdensweg van sporters is niet het doel, maar een bijproduct van ons medeleven. Er is weinig aan om de lijdensweg van verliezers gade te slaan (daarvan genieten heeft duidelijk een sadistisch trekje). Ons voyeurisme veronderstelt de regels van de sport. Bij performancekunst heeft het publiek geen alibi: het moet door de zure appel heen. Het publiek is erbij om de lijdensweg van de kunstenaar onder ogen te zien en zich af te vragen: wanneer vind ik het genoeg? Wanneer is het lijden van de performancekunstenaar zo shockerend dat het in mijn ogen immoreel wordt?

4. Artistieke vernieuwing

Implicatiekunst
De performances die ik hierboven noemde, zijn ook instanties van implicatiekunst, een kunstvorm waarbij de werken de leden van het publiek aan het werk zetten met iets waar zij eigenlijk morele bezwaren tegen hebben. Je wil toch geen getuige zijn van Burdens Shoot of Abramowic’ Rhythm 0? Recenter voorbeeld hiervan is Marco Evaristtis Helena & El Pescador, een werk dat bestaat uit enkele blenders met goudvissen (en water) erin, de stekker in het stopcontact. De kijker voelt zich genodigd om de blender aan te zetten en de vis te pureren, maar doet dit doorgaans niet, uit morele overwegingen. Om echter te voorkomen dat iemand met minder scrupules de vis alsnog pureert, is men eigenlijk gehouden de stekker uit het stopcontact te trekken. Maar dat doet men evenmin omdat het hier een kunstwerk betreft en kunstwerken verniel je niet.
Bij implicatiekunst ben je, hoe je het ook beschouwt, deelgenoot aan, geïmpliceerd in de gebeurtenissen. Het roept vragen op; zijn we medeplichtig? Waaraan precies? Om die interactie is het veel hedendaagse kunstenaar te doen.

Marco Evaristti

Marco Evaristti, Helena & El Pescador, 2000

Experimenten
En soms willen ze ons direct raken, maar weten ze zelf niet zo goed hoe dat te doen. Zo belde bijvoorbeeld in 2000 een vrouw de Londense politie in de ochtendspits en meldde dat ze drie bommen in de vier metrostations onder de London City had geplaatst. Meer zei ze er niet bij, ze legde de hoorn erop. De politie nam de melding serieus en ontruimde de metro’s, de straten en de gebouwen er direct boven — een miljoenenverlies voor velen. Om 11 uur wandelde de vrouw het politiebureau binnen en meldde dat het om een kunstwerk ging. Of neem Gregor Schneider, die in april 2008 op internet een oproep plaatste met de uitnodiging aan stervende mensen om hun eindstrijd in de galerie te ondergaan. Schneider wil dat de kunst zich ook met de dood bezighoudt — door de dood van individuen letterlijk te exposeren.

Ziehier enkele hedendaagse kunstenaars die experimenteren met materiaal waarmee ze het publiek rechtstreeks kunnen raken. Het zal best — ze hadden ook iemand op straat kunnen dood steken, dat raakt ook direct. De vrouw had verzuimd goed na te denken over haar wat-het-ook-was; het was in ieder geval geen kunstwerk, deze bommelding. En Schneider zet “de dood” niet op de artistieke agenda, maar reduceert het sterven van individuen tot een spektakel. Dat het publiek hier boos over wordt, is volkomen terecht; dat men deze boosheid vervolgens op alle hedendaagse kunst projecteert is echter een vergissing — hoe begrijpelijk ook. Kunstenaars moeten experimenteren, maar er gaat dus wel eens iets heel erg mis, dan wordt er toch echt een grens overschreden die niet overschreden had mogen worden.

De sporter wil winnen van mensen die net zo hard trainen als zijzelf, de kunstenaar wil vooral zichzelf overwinnen, zoekt een stijl die van haar alleen is en die past op haar nieuwe boodschap (als we het al zo moeten noemen) — en dwingt de beschouwer dan min of meer om eraan mee te doen. Daarom is veel hedendaagse kunst ook zo shockerend. Maar, dat wil ik maar zeggen: het is niet louter shockeren wat de klok slaat.

5. Tot slot

De competitie
Bij performancekunst gaat het de performancekunstenaar er niet om dat ze anderen overwint, wanneer ze tot het gaatje gaat. Samen met de kunstenaar kijkt de beschouwer naar de strijd die zij met zichzelf voert, met geen ander doel dan die strijd als zodanig. Het heeft geen zin voor de kunstenaar om te trainen voor haar performance, om het langer uit te kunnen houden, want het gaat juist om de spanning die ontstaat als men het niet meer dreigt uit te houden. Als een kunstenaar haar grens verlegt, doet ze dat in haar kunstwerk. Sporters doen het doorgaans grotendeels vooraf aan de wedstrijd. Performance kunst is een soort onderzoek naar lijden, in situaties waarin men in competitie is met het eigen lichaam.

Dit ligt uiteraard niet bij alle kunstvormen hetzelfde. Musici in een groot orkest doen ook aan een soort topsport: ze trainen maandenlang om een partituur perfect uit te voeren. Het interessante is evenwel dat een noot-perfecte uitvoering op zich slechts virtuoos is — is ze ook mooi, heeft ze artistieke verdienste? Dat zijn de vragen die ons bezighouden. Voor een artistiek verdienstelijke uitvoering moet de musicus iets heel anders in de strijd gooien. Ze moet het stuk tot leven brengen en dat doet ze door het op zichzelf te bevechten. Tot dat gaatje gaan is slechter te beheersen dan noot-perfectie, want die kan men bereiken door heel veel te oefenen, net als sporters doen. Het werk op de eigen begrenzingen bevechten is wezenlijk anders. Het is niet per se iets waar men vele uren voor moet trainen — het hoeft zelfs geen moeite te kosten, alleen een goed esthetisch gevoel voor de eigen inbreng in het werk. Hier gaat de vergelijking met de sport geheel mank.

Grenzen of regels
Een ander verschil tussen sport en kunst is de rol van regels. Sport vindt altijd plaats binnen strakke regels. Die grenzen mag je in de sport niet overschrijden, want dan word je teruggefloten. Die regels zijn ook eenduidig. De regels waar men in de kunsten tegenaan schuurt, of waar men overheen gaat, kunnen juist niet beschreven worden — totdat ze verlegd worden. De kunstenaar maakt ons bewust dat er grenzen bestaan en ook van welke aard ze zijn. Kunst gaat over de grenzen van wat we kunnen, vinden of begrijpen. De sporter vecht vooral tegen zijn eigen fysieke grenzen, de kunstenaar tegen de van buitenaf aangeleverde conventionele grenzen. De kunstenaar onderzoekt of haar project slaagt door zich als haar publiek op te stellen; de sporter weet of hij slaagt zodra hij de wedstrijd wint. Het doel van de kunstenaar is het onderzoek van het materiaal: kan zij het tot betekenis brengen? Het doel van de sporter is . . . u weet het nu wel.

Kunstenaars of sporters zien
We zijn niet geïnteresseerd in de individuele (persoonlijke) motivatie van de topsporter. We kennen die al: hij wil de beste zijn, winnen van de anderen. Ook de manier waarop ze de besten willen zijn kennen we al: binnen de regels van de sport van hun keuze. Bij kunstenaars is die persoonlijke motivatie juist altijd wel onderdeel van de aard en verdienste van hun werk. We zijn bij kunst weliswaar niet in de kunstenaar als persoon geïnteresseerd, maar in haar als waarneembaar in het werk: onze interesse in de kunstenaar loopt per se via haar kunst. Een kunstenaar moet de artistieke verdienste in haar eigen werk zelf op haar materiaal bevechten; er zijn geen regels om op terug te vallen. Naarmate ze hierin anderen kopieert, faalt ze, hoe ambachtelijk goed het resultaat ook moge zijn — de betekenis van een kunstwerk is zo ook altijd met de kunstgeschiedenis verbonden. Sporters mogen andere sporters gerust kopiëren — geen probleem! Er bestaat geen plagiaat of copyright in de sporten. Als ze maar winnen. En zelfs als ze verliezen zal hen hun kopieergedrag niet verweten worden. Kunstenaars en sporters gaan tot heel andere gaatjes.

Noten
1. Neem bijvoorbeeld Karl-Heinz Stockhausens Helikopter-Streichquartett (1995),waarbij in vier helikopters een violist zit die begint te spelen zodra de heli met oorverdovend lawaai opstijgt. Het werk is letterlijk en figuurlijk niet om aan te horen.
2. De grenzen van de kunstvormen zijn dus filosofisch van aard. Een kunstenaar kan allerlei aspecten van een andere kunstvorm aanbrengen bij een werk in een bepaalde kunstvorm — daar is niets op tegen. Maar ergens komt het moment dat we het dan geen schilderij meer noemen, maar een sculptuur, bijvoorbeeld.
3. Natuurlijk nooit helemaal. Jonas Staal, bijvoorbeeld, verzet zich tegen de apolitieke status van de kunst door politieke evenementen te organiseren binnen de kunstpraktijk.
4. Zo is het voor mij de vraag of de vergaderingen van Staal nog wel kunst zijn. Hoe moeten we ze esthetisch waarderen?

Deel dit artikel

  • Facebook

Diep Gaan Talkshow

1501 diep gaan logo
21 juni 15.00 uur

Tijdens Culturele Zondag organiseert LUCY een talkshow in het kader van Diep Gaan. Thema van de dag is ‘The Battle’, een mooi mentaal opwarmertje voor de start van de Tour de France. Kunstenaar Joyce Overheul, sportpsycholoog Jan Huijbers en filosoof Rob van Gerwen gaan met elkaar in gesprek over de strijd aan gaan met jezelf.

 

Talkshow ‘De strijd met jezelf’

Zondag 21 juni, 15.00 uur
Galerie Sanaa

Jansdam 2, Utrecht

Kijk hier voor het complete programma van Diep Gaan.

Rob van Gerwen

1506 diep gaan talkshow van gerwen

Meer lezen van kunst- en wetenschapsfilosoof Rob van Gerwen?