Romantische gijzelingen

Column Richtje Reinsma

··········
Ik hoorde laatst vertellen over een man die voor grottengids leerde, in een grottenstelsel ergens in Zuid-Nederland. Niet omdat hij zo graag onder de grond mensen rond wilde leiden. Hij wilde juist in alle eenzaamheid door de grotten zwerven. Maar alleen met een gidsdiploma kon hij vrije toegang krijgen. Voor zijn gidsexamen diende hij het ondergrondse labyrint te leren kennen als zijn broekzak. Met een kaart en een zaklamp maakte hij wandelingen door het donker, waarbij hij af en toe een andere rondzwervende solitaire gids tegenkwam. Sommigen hadden geen zaklamp meer nodig. Zij hadden enkel een sigaar bij zich. In vergelijking met een sigaar lijkt een zaklamp opeens knullig. Grof geschut van een amateur die het donker verstoort. Nee, dan de superieure sigarenrokers die enkel een klein dwaallichtje loslaten, de leegte niet bestrijdend maar absorberend. Als je ergens blindelings de weg kent, beweeg je er als vanzelf, en weet je achteraf vaak niets meer van het onderweg zijn. Een omgeving die je kent hoef je niet meer waar te nemen, die zit in je lichaam opgeslagen. 
© Richtje Reinsma
© Richtje Reinsma
Jaren geleden maakte ik een meerdaagse tocht in de Braziliaanse streek Chapada Diamantina. Met een paar anderen liepen we door de bergachtige subtropische wildernis met Rau, onze gids. Het was heet, er waren slangen en giftige spinnen en overal zinderde de almachtige natuur. Zonder Rau zou het een angstaanjagend landschap zijn geweest, hoe schitterend ook. Maar Rau liep er al zijn hele leven, hij kende er alle schatten en gevaren. Hij hield van de bergen en de bomen en de meertjes, hij was op zijn gemak en bewoog zich volkomen ontspannen. Het was heerlijk om hem te volgen. Onder zijn hoede waren we veilig en werden we door het landschap geduld.
Ik was geschokt toen hij vertelde dat hij een Engelse vriendin had, en binnenkort met haar mee naar Londen zou gaan om daar te wonen. Hoe haalde ze het in haar hoofd om Rau uit zijn fluorescerend groene paradijs weg te lokken naar een grauwe stinkende stad? Ik vond dat hij bij het landschap hoorde, ik wist zeker dat hij iets kwijt zou raken als hij het zou verlaten.
 
Ook Marcel Proust, eveneens een stedeling, projecteerde graag landschappen op mensen. Bij voorkeur op jonge meisjes. Zo zwijmelt hij bij zijn reizen langs plattelandsdorpjes: ‘Ik hunkerde naar een jong boerenmeisje uit Méséglise of Roussainville, naar een vissersmeisje uit Balbec, zoals ik naar Méséglise of Balbec verlangde. [...] In Parijs een vissersmeisje uit Balbec of een boerinnetje uit Méséglise te leren kennen zou voor mij hetzelfde geweest zijn als schelpen krijgen die ik niet zelf op het strand gezien had, of een varen die ik niet in het bos had gevonden, het zou de vreugde die deze vrouw mij zou geven en alles wat mijn verbeeldingskracht om haar heen gewoven had, hebben weggenomen.’ (Uit Op zoek naar de verloren tijd/De kant van Swann, 1918.)
 
Net als Proust vind ik het schitterend als iemand ergens volkomen op zijn plaats is. Het is heerlijk om je te laven aan andermans vanzelfsprekende aanwezigheid. Maar ook een beetje dubieus. Wie zich verplaatst naar onbekend terrein vinden we minder mooi, incompleet of minder waarachtig, terwijl we zelf zonder problemen ver van huis zijn gegaan, juist om authentieke mensen in hun oorspronkelijke biotoop te bewonderen.
Zo lang zulke romantische gijzelingen zich slechts in iemands fantasie voltrekken, is er niets aan de hand. Ik vind het zelfs een aantrekkelijk idee zelf onderwerp te kunnen zijn van dergelijke fantasieën. Het lijkt me heerlijk als ik in vreemde ogen een nobele inboorling van mijn stad ben, en in het voorbijgaan kortstondige verliefdheid op zou wekken omdat ik mij zo natuurlijk en harmonieus verplaats in mijn territorium.


(c) Lucy, 14 augustus 2012 
 



Reactie toevoegen

* verplichte velden.
U mag nog 255 karakters intypen

Deel dit artikel

  • Facebook
Richtje Reinsma tekent en schrijft.
www.richtjereinsma.nl