Soete suikerbollen wereldbeeld

op atelierbezoek bij Dick van Arkel

··········
Kijkend naar de schilderijen van Dick van Arkel, betrap ik mezelf er op wel een heel romantisch beeld te hebben van zijn atelier. Van Arkels verkenningen van landschappelijke ruimtelijkheid doen vermoeden dat zijn werkplek op z’n minst een panoramisch uitzicht biedt.
Dick van Arkel, Gestichtstuin
Gestichtstuin
Aan de pittoreske zijde van Soest tref ik inderdaad een oud boerderijtje aan op het opgegeven adres. Van Arkel blijkt echter in de verbouwde varkensstal ernaast te wonen. ‘Ik moest er de varkensmest nog uitscheppen.’ Het atelier bevindt zich in de eveneens eigenhandig verbouwde schuur erachter. Eenmaal binnen, ontbreekt het uitzicht op het omringende landschap volledig, alleen het dak laat daglicht toe. Van Arkel is opgegroeid in deze streek. Om het te schilderen hoeft hij het niet te zien, het zit in hem. Net als ‘de stomme plaatjes’ uit In de Soete Suikerbol die hij zittend bij zijn moeder op schoot bekeek. ‘Je moet niet onderschatten hoe je waardebepaling al gevormd wordt op die leeftijd.’
Al voor onze ontmoeting liet Dick van Arkel weten dat hij ‘wel tekst heeft’ over de relatie tussen werk en atelier. ‘Ik relateer de ruimte van het atelier voortdurend aan het denken.’ De Gestichtstuinen die hij voor Museum Belvédère in Heerenveen heeft gemaakt noemt hij sleutelwerken in deze kwestie. ‘In een gesticht wil je niet zitten. Ook al is het vrijwillig, je zit opgesloten. De tuin is in dan de beste plek, je hebt de ruimte. Dat is precies wat je hoofd is, vrijheid met een bepaalde begrenzing.’
Dick van Arkel, De Godvrezer Dick van Arkel, Gestichtstuin
De Godvrezer Gestichtstuin
Als ik opper dat zijn fysieke atelier een soort verlengstuk van zijn hoofd is, roept Van Arkel: ‘Ja! Het is een vrijplaats, een dependance van het hoofd.’ In dit fysieke atelier speelt de hoge achterwand de hoofdrol, dat is de muur waarop hij werkt. Van Arkel vraagt zich nu hardop af of hij misschien op de lagere muren links of rechts moet gaan werken. Groot werk is slecht verkoopbaar en dat wordt wel steeds belangrijker. 

Opvallend is de portretfoto van Piet Mondriaan op zijn deur, een glimp van diens ‘interne atelier’. ‘Mondriaan deed aan ruimtelijke ordening: hij plaatste rode, gele en blauwe vormen op een terrein.’ In een poging me toe te laten in zijn mentale atelier, komen tijdens het gesprek nog meer visuele voorbeelden ter sprake. Zoals het mooiste schilderij ter wereld volgens Van Arkel; ‘Het laantje bij Middelharnis’ van Meindert Hobbema. De balans van kleur, licht, alles is goed.’
Dick van Arkel, Grote Gestichtstuinen
Grote Gestichtstuinen
Van Arkels veelvormige schilderijen met toevoegingen van boomstammen en takken, roepen de vraag op of hij zichzelf wel als schilder ziet. Maar voor Van Arkel is er geen twijfel. ‘Ook al heeft het soms een eigenaardige vorm, ik ben schilder, ik blijf denken vanuit de schilderkunst. De ruimte van het Hollandse landschap strekt zich uit van je voeten tot de horizon, op een zonnige dag misschien wel 20 kilometer. Met een schilderij kun je al die ruimte zo onder je arm meenemen.’
 
Of bovenstaande weergave van ons gesprek overeenkomt met wat Van Arkel me had willen vertellen blijft de vraag. De kans is groot dat ik er faliekant naast zit, zo vertrouwt Van Arkel me bij het afscheid toe. Eventjes daarvoor vertelt hij me echter dat het voor een goed werk niet uitmaakt wat de kunstenaar erbij vertelt en of dat wordt begrepen of niet. Komt dat even goed uit. 


(c) Lucy, 8-3-2012. Tekst: Jantine Kremer.  

Reactie toevoegen

* verplichte velden.
U mag nog 255 karakters intypen

Deel dit artikel

  • Facebook

Het Atelier

Atelier Dick van Arkel
Jantine Kremer bezoekt elke maand een kunstenaar uit het kunstenaarsbestand van het CBKU.

In de Soete Suikerbol

In de Soete Suikerbol
De serie In de Soete Suikerbol werd in de jaren dertig geschreven door de Utrechtse schoolmeester W. G. van de Hulst en geïllustreerd door zijn zoon. Hij schreef zeven kinderboeken over een dikke, goeiïge bakker met zijn lastige, magere vrouw. De serie verscheen eerst in De Standaard en in De Amsterdammer als feuilleton.