Ga direct naar inhoud

Nieuw naast oud surrealisme werkt verfrissend

Surreële Werelden in Centraal Museum

··········
Joop Moesman
Joop Moesman, Ontmoeting, 1932
Hoe zou Joop Moesman de gekleurde muren in het Centraal Museum hebben gevonden? De Utrechtse surrealist had tijdens zijn leven de musea en hun directeuren volledig in de ban gedaan. Hij hield niet van de witte museummuren en het licht dat van bovenaf de schilderijen beschijnt. Wit vond hij het ‘'t smerigste wat er bestaat’ en ‘een ziekte die alles verpest, doodslaat.’ De eerste zaal van Surreële werelden is dan ook sfeervol  donkerrood. Bovenaan de trap is het werk van Moesman het eerste dat je er te zien krijgt. Topstukken uit de collectie, maar ook onverwachte bruiklenen zoals een beschilderd klavecimbel met wulpse vrouwenlijven, ledematen die een eigen leven lijden en weidse landschappen. Gecombineerd met even zo vervreemdende teksten en een sculptuurtje van een vis met een gordijn op het onderstel van het instrument, kan het bijna niet surrealistischer. 
Surreële werelden is een verfrissende tentoonstelling over het surrealisme in Nederland maar het laat je ook door een surrealistische bril naar de hedendaagse kunst kijken. De tentoonstelling is chronologisch van opzet en begint met de manifesten en literaire tijdschriften van deze van oorsprong theoretische en literaire stroming. De eerste grote zaal is gewijd aan de surrealisten uit Utrecht en omgeving: Moesman, Willem van Leusden, Willem Wagenaar en anderen. Zij maakten dankzij afbeeldingen uit Franse tijdschriften in het begin van de jaren dertig kennis met het surrealisme. Als reactie op de kille zakelijkheid van de kunst van dat moment, de Eerste Wereldoorlog en de theorieën van Sigmund Freud gingen kunstenaars expressief werk maken vanuit het gevoel, de droom en de vrije associatie.
     Een tussenzaal vervolgt met beeldrijm-achtige objecten van Franse kunstenaars als Man Ray en Marcel Duchamp. Vreemde combinaties van gevonden objecten en woorden geven de werken dubbelzinnige betekenissen. Bekend is het strijkijzer met spijkers van Man Ray. Minder bekend is het bronzen afgietsel van een verstopt afvoerputje van Marcel Duchamp met de titel Bouche-Évier. Beide werken tonen de vreemde, onwerkelijke kant van gewone dingen.
Frank Halmans, Stofzuigerflat
Frank Halmans, Sad Machines, 2007
Het surrealisme als stroming in Nederland wordt ook getoond aan de hand van het Nederlandse literaire tijdschrift De Schone Zakdoek met surrealistische gedichten, advertenties en fotocollages. En via foto’s van de eerste internationale surrealistische tentoonstelling in Amsterdam (1938), in een tjokvolle galerie aan de Keizersgracht met sculpturen, voorwerpen en schilderijen.
     Daarna volgt een meer vrije benadering van het surrealisme. Om te beginnen de tweede hoofdzaal, deze keer met groene muren, over het surrealisme na 1945. Cobra was erdoor beïnvloed, Eugene Brands en Piet Ouborg. Maar er is ook volop ruimte voor schilderijen van René Daniels. Je komt tot de ontdekking dat zijn woordspelingen (‘Palais des Boosaards’) en beeldgrapjes inderdaad verwant zijn aan het surrealisme. Toch is het nieuw om zijn werk binnen die context te bekijken.
Voor het hedendaagse deel van de tentoonstelling is er op een speelse maar gedegen manier werk gekozen waarin je gelijkenissen ziet met het surrealisme. Hier koos men ook een andere vorm: de werken hangen op thema bij elkaar in kabinetten die door een lange gang verbonden zijn. Het zijn luchtige combinaties, ook met oudere werken zoals dat van Moesman, Pyke Koch of Piet Ouborg. Ook hier kun je je blijven wentelen in de overdadige visuele wereld en sfeer van het surrealisme. Bij het thema ‘haar’ blijkt het werk van Paul de Reus onverwacht surrealistisch aan te doen. Zijn tekening van een volledig behaard gezicht in een spiegel doet direct denken aan Magritte. Op een foto van Frank van den Broeck zien we van een slapende figuur alleen het haar, dat op een vreemde manier omhoog is gedrapeerd. Kinke Kooi toont een schildering op papier van een gebouw met een pruik van monumentale afmetingen. De verwrongen zelfportretten van Philip Akkerman bevolken het kabinet ‘Hoofden, onthoofden’, samen met het groene gezicht van Pyke Koch’s Portret van Asta Nielsen. En wat te denken van de ‘Light Bulb’ van Pieke Bergmans. Een lamp waarvan de peer van uitgezakte jelly lijkt, en zo prachtig in het idioom van de surrealisten past. Ook de foto’s van Elspeth Diederix doen dat. En als zelfs de intro van de tv-serie Dexter door Louis Buňuel gemaakt had kunnen zijn, dan lijkt alles wel surrealisme.  


(c) LUCY, 24-3-2014. Tekst: Véronique Hoedemakers
Paul de Reus
Paul de Reus, Kalende mannen met baarden, 2002

Reactie toevoegen

* verplichte velden.
U mag nog 255 karakters intypen

Deel dit artikel

  • Facebook

Surreële Werelden

Surreële Werelden is nog t/m 9 juni te zien in Centraal Museum
www.centraalmuseum.nl